![]() |
|
![]() |
|
Evaluatie van het BrandrisicoVeiligheidsdeskundigen en brandweerofficieren worden in hun beroepspraktijk geconfronteerd met de vraag of een gebouw brandveilig is. Een dergelijke algemene vraag dient meestal met een aantal bijkomende vragen aangevuld, om te weten wat er precies bedoeld wordt . Hoe beoordelen wij de risico's die ons bedreigen?Een risico is een ongewenste gebeurtenis met schadelijke gevolgen. Het is gekenmerkt door de kans dat het voorval gebeurt en door de ernst van de mogelijke gevolgen. De kans of frequentie kan nog opgesplitst worden in twee factoren:
De ernst kan ook opgesplitst worden in twee factoren:
Mensen tolereren risico's zelfs als ze er het leven kunnen bij laten. Voorwaarde is dat het risico voldoende klein is, dwz dat de combinatie kans en ernst aanvaardbaar laag is, vandaar dat men een risico vaak meet met een getal dat een product is van een frequentie- en een ernstcijfer. Men kan ook een risicoprofiel opstellen waar op de ene as de frequentie en op de andere as de ernst aangeduid worden. Er bestaat evenwel geen vaste grens tussen aanvaardbare en onaanvaardbare risico's. Soms is men verplicht bepaalde risico's te aanvaarden als men de middelen niet heeft om er iets aan te doen of indien het risico als inherent aan het leven wordt aanzien. Zo accepteert men in bepaalde landen natuurrampen zoals aardbevingen en overstromingen omdat ze deel uitmaken van de levensvoorwaarden van die streek. Algemeen wil men de kans van optreden lager maken naarmate de gevolgen erger zijn, naarmate er meer personen terzelfdertijd aan het risico blootgesteld zijn en naarmate de blootstelling langer duurt. Een risico wordt ook minder aanvaard als de gevolgen direct voelbaar zijn. De aanvaardbare risicogrens ligt hoger als de gevolgen omkeerbaar zijn, bv. als er enkel tijdelijke letsels zijn of als de schade kan hersteld worden. Ze is ook hoger naarmate men meer voordeel ziet aan het nemen van het risico, en naarmate men meer controle denkt te hebben over het voorkomen van de ongewenste gebeurtenis. De manier waarop een risico beoordeelt wordt kan men het best voorstellen in een risicoprofiel : ![]() Men kan de frequentie en de ernst van ongevallen in cijfers uitdrukken, er bestaan heel wat studies met statistische gegevens over alle soorten ongevallen en over de risiconiveaus die maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Deze benadering aan de hand cijfers voor frequentie, blootstelling en ernstgraad is sinds lang gebruikelijk voor het beoordelen van chemische en nucleaire risico's en ook vrij goed ingeburgerd bij het beoordelen van arbeidsongevallen, maar lijkt nog weinig toegepast wanneer men wil gaan bepalen hoe brandveilig een gebouw zou moeten zijn. Men kan zich voorstellen dat het formuleren van risiconiveaus als getallen, bepaald in functie van de kans op ongeval, de blootstellingsduur en de potentiële gevolgen, een belangrijke bijdrage kan betekenen in de ontwikkeling van performantiële veiligheidsvoorschriften. Een probleem is evenwel het feit dat de statistische informatie waarover we beschikken niet alle gewenste situaties dekt, en soms voor interpretatie vatbaar is. In sommige landen maakt men gezamenlijke statistieken voor woningen en kantoren, in andere worden die gescheiden. Sommigen tellen de opslagplaatsen bij de industrie, anderen hebben hierover aparte gegevens. De gegevens zijn ook afhankelijk van de verstrekker van de informatie: de brandweer telt eerder het aantal interventies en houdt het aantal slachtoffers bij. Verzekeringen tellen dan weer de meldingen van schade, waarbij de kleinere schades waarvoor niet betaald wordt buiten de statistieken vallen. Het is dus niet eenvoudig om een absoluut en objectief veiligheidsniveau vast te leggen op basis van statistieken. Daarom is het aangeraden om een relatief veiligheidsniveau te bepalen, ten opzichte van het veiligheidsniveau dat nu bestaat voor woningen en dat maatschappelijk aanvaardbaar is. Een uitgebreide bespreking van de beoordeling van brandrisico's is terug te vinden bij publicaties : risicoberekening voor brandveiligheid. Het meten van het risico en de betrouwbaarheidHet optreden van risico's wordt meestal uitgedrukt in het aantal keren dat een ongewenste gebeurtenis zich kan voordoen gedurende een bepaalde tijdsperiode. De getallen zijn vergelijkbaar met de frequentiegraad van ongevallen, die niets anders zijn dan risico's die werkelijkheid geworden zijn. Een frequentiegraad van 50 betekent dat men 50 ongevallen heeft genoteerd voor 1 miljoen werkuren. Meestal kan men de kans voor een ongeval nog opsplitsen in een aantal deelfrequenties gekoppeld aan de oorzaken van het ongeval en aan de blootstellingsduur van de slachtoffers. Zo kan men de waarschijnlijkheid dat iemand door een brand in een gebouw verrast wordt opsplitsen in:
In principe moet men de waarschijnlijkheid van gebeurtenissen die samen moeten optreden om het beoogde effect te hebben met elkaar vermenigvuldigen. De kans op een slachtoffer bij een brand is dus het product van alle bovenstaande deelfactoren. Daarentegen moet men de waarschijnlijkheid van twee gebeurtenissen die onafhankelijk van elkaar hetzelfde resultaat hebben samentellen. Zo is de kans dat een brand ontstaat de som van de frequentie van alle mogelijke brandoorzaken, zoals: blikseminslag, menselijke stommiteiten, defecten aan de verwarming, defecten aan de elektrische installaties, oververhitting van machines, weggegooide sigaretten, enz. Betrouwbaarheid is ook niet absoluut. De meest betrouwbare systemen hebben nog een kleine faalkans. Die faalkans kan bijvoorbeeld bepaald worden aan de hand van verouderingstesten of afgeleid uit statistische gegevens. Hoe kleiner de faalkans, hoe betrouwbaarder een veiligheidsysteem. Wanneer twee of meerdere elementen samen één veiligheidsketting vormen, is de faalkans van de ketting die van het minst betrouwbare element. Is de werking van de elementen echter onafhankelijk van elkaar gegarandeerd, dan is de faalkans van het geheel het product van de individuele faalkans-cijfers. Of het nu gaat over het aantal keren dat een fout in een systeem optreedt, of over het falen van een veiligheidssysteem, de bekomen resultaten zijn meestal kleine getallen, in de grootteorde van 10-3 tot 10-9. Het is daarom vaak handiger en begrijpelijker om de negatieve logaritme van de faalkans als maat te gebruiken. Een element dat in één geval op tien kan falen, heeft dan een veiligheidswaarde =1, een element dat slechts in één geval op 100000 faalt is dan een factor 5 veiliger. Risicoberekening met de FRAME-methodeIn de praktijk stelt men heel wat gradaties in brandschade vast, waar een skala van beschermingsmogelijkheden tegenover staat. Er spelen zoveel invloedsfactoren mee en de prestaties en betrouwbaarheid van de beveiligingstechnie-ken zijn zo verscheiden dat een graduele benadering van risico en beschermingsgraad in een aantal gevallen wenselijk is. Het is precies die graduele benadering die de FRAME methode zo aantrekkelijk maakt om brandrisico's te evalueren. Een bijkomend voordeel van FRAME is dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen het risico voor de personen, voor het gebouw en zijn inhoud en voor de activiteiten, om rekening te houden met de verschillende standpunten van bvb. overheid en verzekeraars. Hoewel de methode ontwikkeld werd in een periode waar er nog geen sprake was van faalkansen en beveiligingscategorieën, doorstaat de methode goed de vergelijking met deze benadering. FRAME is opgebouwd op basis van een logaritmische schaal, en het relatieve gewicht dat aan de invloedsfactoren is gegeven sluit behoorlijk aan bij tolerantie- en faalkanscijfers. Bijvoorbeeld : Een hoogbouw van meer dan 50 meter hoog krijgt in FRAME een risicofactor x2 tov van een laagbouw wat overeen komt met een tolerantiegrens die 100 x lager ligt voor het instorten van het gebouw ten gevolge van de brand. De veiligheidsgraad berekend voor een basisbescherming bestaande uit een manueel alarm systeem, een interventie door een beroepskorps binnen de 10 minuten na de melding, en een adequate water-voorziening, is D=2, wat zou overeenkomen met een faalkans van 1/100. Dit komt vrij overeen met de statistische waarneming over het aantal woningbranden die de brandweer niet onder controle kan krijgen. Voor de afwezigheid van een watervoorziening wordt de watervoorzieningfactor W = 0.32 wat over-eenkomt met een faalkans van 48 %. M.a.w. als er geen waterreserve is om te blussen, is de kans dat men met de meegebrachte middelen een brand onder controle krijgt slechts 1 op 2. | |