|
watervoorzieningsfactor W |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Water is het meest gebruikte
blusmiddel. De factor W bepaalt de minimale kwaliteit van de
watervoorziening, inclusief het openbare net. Men houdt rekening met de
hoeveelheid beschikbaar water, met de druk op het verdeelnet, met het
distributiesysteem en met het aantal aansluitpunten. |
|
|
|
|
TYPE WATERVOORZIENING |
|
|
1. waterreserve voor algemeen gebruik,
automatisch bijgevuld |
0 |
|
|
2. waterreserve voor algemeen gebruik, manueel bijgevuld |
4 |
|
|
3. Er is geen (blus)waterreserve |
10 |
|
|
Vereiste
Grootte van de bluswatervoorraad |
|
|
De nodige bluswatervoorraad
(primaire en secundaire samen) in m³ is gelijk aan de totale brandlast in
MJ/m² gedeeld door 4. Een kleinere voorraad kan een efficiënte
brandbestrijding belemmeren. |
|
|
0% |
4 |
|
|
70% |
3 |
|
|
80% |
2 |
|
|
90% |
1 |
|
|
100% |
0 |
|
|
WATERDISTRIBUTIENET |
|
|
Een adequaat distrbutienet is
vereist. De grootte ervan is bepaald door de vereiste blusvoorraad die in 2
uur op de brandplaats moet geleverd kunnen worden zonder dat er grote
drukverliezen in het netwerk optreden. |
|
|
De volgende tabel geeft de
debietcapaciteit van waterleidingen, gebaseerd op een maximum vloeisnelheid
van 2 m/sec, wat garant staat voor lage drukverliezen over grotere afstanden.
Gesloten of kringnetwerken zijn geschikt voor twee keer deze debieten. |
|
|
geen of < DIA80 |
0 |
|
|
DIA 80 (3") |
34,3 |
|
|
DIA100 (4") |
59,2 |
|
|
DIA150 (6") |
134,3 |
|
|
DIA200 (8") |
232,3 |
|
|
DIA250 (10") |
366,8 |
|
|
DIA300 (12") |
526,1 |
|
|
DIA350 (14") |
676,9 |
|
| NA |
Capaciteit van het waterdistributienet |
|
|
|
|
ADEQUAAT |
0 |
|
|
BEPERKT |
2 |
|
|
GEEN |
6 |
|
|
NORMALE BESCHERMINGFACTOR N |
|
|
Met de normale bescherming beoordeelt men de keten: ontdekking-
alarmering- manuele interventie. |
|
|
Ontdekking en alarmering |
|
|
Alarmering
bestaat normalerwijze uit een bewakingsdienst, een waarschuwingsnet om de
ontdekte brand door te melden aan een verantwoordelijke of aan de brandweer,
en een melding van het ontstaan van brand aan de gebruikers van het gebouw. |
|
|
Ontdekking door continue
bezetting en/of bewakingsdienst |
|
|
Waarschuwingsnet: bvb: een
handmeldernet of een telefoonnet met uniek nummer voor brandmelding. Indien
er geen verantwoordelijke is, kan een automatische oproep van de brandweer
als gelijkwaardig beschouwd worden. |
|
|
Een louter lokale brandmelding,
bvb als de bewaker geen instructies heeft om de brandweer op te roepen,
krijgt een penalisatie. |
|
|
Er moet een gekend geluidsignaal
zijn om bewoners te doen evacueren.In lawaaierige omgeving moet het aangevuld
worden met een lichtsignaal. |
|
|
Eerste interventie - bedrijfshulpverlening |
|
|
De klassieke handblusmiddelen
zijn brandblussers, haspels en binnenhydranten. Het aantal en het type dient
men aan het risico aan te passen. Praktisch elk land heeft hiervoor lokale
voorschriften. |
|
|
Gebruik de lokale voorschriften
voor het bepalen van het aantal en type blustoestellen. Haspels en
brandslangen dienen zo voorzien dat elk deel van het compartiment door
minstens 1 straal bereikt wordt. Lichte haspels zijn geschikt voor gebouwen
met lage vuurbelasting en ongetrainde gebruikers. Zware haspels en/of
brandslangen hebben de voorkeur bij hoge vuurbelasting en geschoolde
gebruikers. |
|
|
Draagbare en mobiele blussers |
|
|
1. Blussers zijn adequaat (type en
aantal) |
0 |
|
|
2. Geen blussers, te weinig of onaangepaste types |
2 |
|
|
Haspels en/of brandslangen |
|
|
1. Adequaat aantal en plaatsing |
0 |
|
|
2. Onaangepast aantal en/of plaats |
2 |
|
|
3. Geen |
4 |
|
|
Aankomsttijd voor de brandweer |
|
|
De tijd tussen de melding van de
brand en de aankomst van de eerste brandweerploeg is bepalend voor de tijd
die de brand heeft om zich te ontwikkelen terwijl men op eigen krachten is
aangewezen voor de bestrijding.
|
|
|
1. aankomst na minder dan 10 min. |
0 |
|
|
2. aankomst na 10 tot 15 min. |
2 |
|
|
3. aankomst tussen 15 en 30 min. |
5 |
|
|
4. na meer dan 30 minuten |
10 |
|
|
Opleiding van de aanwezigen |
|
|
In die eerste periode zal een
brand enkel bestreden worden door personen die kunnen omgaan met de
handblusmiddelen |
|
|
1. Alle 'bewoners' kennen het gebruik
van de hulpmiddelen |
0 |
|
|
2. enkel een interventieploeg kent het gebruik ervan |
2 |
|
|
3. Er is geen specifieke vorming gegeven |
4 |
|
|
|
|
SPECIALE BESCHERMINGFACTOR S |
|
|
De speciale bescherming bestaat
uit automatische alarmering- en blusinstallaties, en uit extra middelen die
de betrouwbaarheid van de brandbeveiliging verhogen. |
|
|
Automatische branddetectie |
|
|
Automatische detectiesystemen
versnellen de ontdekking van een brand en de interventie van de brandweer. Ze
komen enkel in aanmerking als de meldingsketen volledig is, d.w.z. dat het
detecteren van een begin van brand doorgemeld wordt naar de brandweer, die
dan zonder verdere vertraging tussenkomt. |
|
|
Sprinklersystemen die met een
flow-switch uitgerust zijn en op die manier verbonden met een alarmcentrale,
werken als een (traag) thermisch detectiesysteem. Rookdetectoren reageren
sneller dan thermische en modernere detectiesystemen hebben een continue bewaking
en identificeren elke detectoren afzonderlijk. Zij zijn op die manier meer
waard. |
|
|
GEEN |
0 |
|
|
1. door de werking van een sprinklersysteem met flow of pressure switch |
4 |
|
|
2. met thermische detectoren |
5 |
|
|
3. met rook- of vlamdetectoren |
8 |
|
|
4. met autonome rookmelders |
2 |
|
|
|
Verbeterde watervoorzieningen |
|
|
De watervoorzieningen zijn van
groot belang voor de brandbestrijding. Meren, bevaarbare rivieren, of zeer
grote watertanks die meer dan 4 keer de vereiste voorraad kunnen leveren,
worden als “onuitputtelijke” watervoorziening beschouwd. |
|
|
Om
het water op de brandplaats te brengen moet de druk/debiet-bron beschikken
over een betrouwbare energiebron: een watertoren, pomp of hoog
reservoir. |
|
|
Enkele debiet/druk-energiebron |
0 |
|
|
Hoog betrouwbaar: Een wateropslag
met dubbele druk/debiet-bron[1] |
5 |
|
|
Dubbel hoog betrouwbaar : twee wateropslagen, elk met eigen
druk/debiet-bron |
12 |
|
|
|
Automatische bescherming van het
compartiment |
|
|
In dit geval bekijkt men alleen
de automatische blussystemen die het gehele compartiment beschermen. De
gedeeltelijk systemen die kritische zones beschermen worden verderop bekeken
bij factor Y. |
|
|
Geen |
0 |
|
|
1. Sprinklers met enkele (openbare) watervoorziening |
11 |
|
|
2. Sprinklers met eigen waterbron |
14 |
|
|
3. Sprinklers met twee eigen waterbronnen |
20 |
|
|
Eerst reagerende Brandweerpost |
|
|
1. Full time bemande
post 24h/24 7d/7 |
8 |
|
|
2. Professioneel bemande post ( overdag aanwezig, 's nachts
direct oproepbaar ) |
6 |
|
|
3.
Direct oproepbare part time professionelen |
4 |
|
|
4. Vrijwilligerspost |
2 |
|
|
|
Bedrijfsbrandweer |
|
|
Geen |
0 |
|
|
1. Part time bedrijfsbrandweer (aanwezig tijdens de werkuren) |
6 |
|
|
2. Full time bedrijfsbrandweer
24h/24 7d/7 |
14 |
|
|
|
BRANDWEERSTANDSFACTOR F |
|
|
De
factor F is bepaald door de waarde van de brandweerstand van de
bouwelementen, maar met een correctie in functie van de aanwezige speciale
bescherming (factor S), want voor een
gebouw met veel actieve bescherming
speelt de brandweerstand een minder belangrijke rol in het geheel. |
|
|
|
|
|
Men
bepaalt eerst de gemiddelde brandweerstand f in minuten uitgaande van de
brandweerstanden van de structuur, van de buitenmuren, van het plafond of het
dak, en van de binnenmuren. |
|
|
De
brandweerstand van bouwelementen wordt in de meeste landen bepaald met testen
die als basis de norm ISO R 834.2 tijd / temperatuurcurve gebruiken. |
|
|
|
|
|
Bij alle bouwelementen geldt als
voornaamste criterium de stabiliteit bij brand, maar ook andere eigenschappen
zoals isolatievermogen, rook- en vlamdichtheid en het behouden van bepaalde
kenmerken zijn bepalend voor het toekennen van een beoordeling. |
|
|
|
|
|
Voor
FRAME geldt enkel de stabiliteit bij brand voor dragende bouwelementen zoals
kolommen, balken en daken. |
|
|
Voor wanden gelden de
stabiliteit bij brand en het behoud van de scheidende functie. |
|
|
|
Volgende beperkingen
zijn in acht te nemen: |
|
|
1. Om onrealistisch hoge waarden te vermijden, zal men geen hogere waarde
gebruiken dan 120 min. |
|
|
2. Men kan geen hogere waarden gebruiken voor wanden, dak of binnenmuren
dan voor de structuur. |
|
|
3.
Voor gemengde constructies geldt de waarde van het zwakste element. |
|
|
4. Vensters in buitenwanden worden niet meegerekend tot 5 % van de
wandoppervlakte. |
|
|
5. Voor daken en plafonds gelden de kenmerken van de onderkant. |
|
|
6.
Voor gesprinklerde gebouwen met een structuur zonder eigen brandweerstand,
mag men toch met 30 tot 60 minuten brandweerstand rekenen indien de
watervoorraad hiervoor voorzien is. |
|
|
7. Binnenwanden tellen slechts
mee als ze het compartiment verdelen in minstens vier zones, waarbij elke
zone ten hoogste 1000 m² |
|
|
|
VLUCHTFACTOR U |
|
|
Bij
de bepaling van de vluchtfactor U
houdt men rekening met een aantal elementen van de speciale
bescherming die de evacuatie versnellen of de brandontwikkeling vertragen,
met compartimentering, en met de beveiliging van de vluchtwegen. |
|
|
Automatische detectie versnelt
de ontdekking van een brand en de evacuatie. Dezelfde waarden gelden als bij
de speciale bescherming S. |
|
|
Compartimentering en het
beschermen van de evacuatiewegen vertraagt de verspreiding van rook en hitte.
Het inkorten van de evacuatieweg, en een goede signalisatie maken dat de
personen vlugger in een veilige zone terechtkomen. |
|
|
|
|
|
Automatische branddetectie |
|
|
Automatische detectiesystemen
versnellen de ontdekking van een brand en de evacuatie. Dezelfde waarden
gelden als voor factor S, de speciale bescherming |
|
|
Gedeeltelijke automatische
detectie in kritische zones, zoals de evacuatiewegen en lokalen met hoog
risico worden hier meegerekend. Er is een kleine bonus als minder dan 300
personen moeten evacueren. |
|
|
|
Subcompartimentering |
|
|
GEEN |
0 |
|
|
1. EI30
Subcompartimenten (brandzones van max.1000 m²) |
2 |
|
|
2. EI60
Subcompartimenten (brandzones van max.1000 m²) |
4 |
|
|
|
Trappentypes voor evacuatie |
|
|
Geen trappen nodig voor evacuatie |
0 |
|
|
1. Open binnentrappen |
0 |
|
|
2. Een brandwerend afgescheiden binnentrap |
1 |
|
|
3. Meer dan 1 brandwerend afgescheiden binnentrap |
2 |
|
|
4. Een brandwerend afgescheiden en minstens 1 tegen rookindringing
beschermde trap |
3 |
|
|
5. Meer dan 1 tegen rookindringing beschermde binnentrap |
4 |
|
|
6. Binnentrap(pen) en 1 buitentrap |
6 |
|
|
7. Binnentrap(pen) en meer dan 1 buitentrap. |
8 |
|
|
8. Binnentrap en glijbaan of ladders voor 1ste / 2de verdieping |
2 |
|
|
|
Horizontale vluchtwegen naar ander compartiment |
|
|
geen horizontale vluchtwegen naar naastliggend compartiment |
0 |
|
|
1. Horizontale vluchtweg naar naastliggend compartiment voor min. 50% van
de vereiste eenheden |
2 |
|
|
2. Horizontale vluchtweg naar naastliggend compartiment voor 100% van de
vereiste eenheden. |
8 |
|
|
|
|
|
Sprinkler bescherming |
|
|
Geen |
0 |
|
|
1. Sprinklers enkel in zones met verhoogd risico |
5 |
|
|
2. Het hele
compartiment is beschermd met sprinklers |
10 |
|
|
|
|
|
REDDINGSFACTOR Y |
|
|
Bij de bepaling van de
reddingsfactor Y houdt men rekening
met een aantal voorzieningen die de
gevoelige elementen van de activiteit beschermen tegen de impact van een
brand, en met maatregelen die het mogelijk maken de activiteit snel te
hernemen, al dan niet op dezelfde plaats. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|