Brandontwikkeling en warmteproductie. De meeste brandmodellen gebruiken veeleer elementaire benaderingen om de warmteproductie van een brand weer te geven. Toch is dit een vrij belangrijk aspect van de brandontwikkeling, zeker voor de veiligheid van de aanwezigen, aangezien vooral de ontwikkelingsfase van de brand bepalend is voor de beschikbare tijd om uit de brandzone te ontsnappen. In de meeste wetenschappelijke verhandelingen beperkt men zich tot een eenvoudige t²-curve met een groeiparameter voor een trage, gemiddelde, snelle en zeer snelle brandontwikkeling. Er wordt nagenoeg geen onderzoek gedaan om na te gaan hoe die groeiparameters beïnvloed worden. In FRAME werden 3 invloedsfactoren geïdentificeerd die een invloed uitoefenen op de groeicurve en dus op de ernst van de brand: de ratio volume /oppervlakte van de aanwezige brandbare voorwerpen, het brandgedrag van de oppervlakken van die voorwerpen, en de ontstekings- of beschadigingstemperatuur. Voor elk van die elementen is er een subfactor voorzien in de formule van de brandverspreidingsfactor i. i = 1 - ( T/1000) - 0.1* log m + ( M / 10) De combinatie en het evenwicht van die drie parameters is het resultaat van beredeneringen en ervaringsgebonden inschatting, er is geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar om die combinatie te ondersteunen, maar ook niet om ze tegen te spreken. De waarde van i kan variëren van 0.5 tot 1.65. De lagere waarde komt overeen met een opslag van betonblokken, de hoogste met die van een stapel schuimplastiekkorrels. Voor de meeste woningen, zal de waarde van i liggen rond 1.2, in de veronderstelling dat m= 0.1, T = 200 en M = 3. Als men rekening houdt met de logarithmische vorm van de basisformule, en i= 1.2 aanneemt voor een "residentiële" brand, dan is de combinatie van q en i vergelijkbaar met de ISO 834 standaard brand. Een i-waarde van 0.5 (betonblokken) komt dan overeen met een brand die maar 20 % van een ISO-brand vertegenwoordigt, en de schuimplastiekbrand kan dan als 3 x zwaarder als een ISO brand beschouwd worden. Dit lijkt een redelijke beoordeling van de invloed van de warmte-afgifte op de brandontwikkeling, maar elke andere veronderstelling of benadering is welkom. Brandontwikkeling tot flash-over. Over het algemeen is een gelokaliseerde brand vrij gemakkelijk te beheersen: Er is (nog) geen zware thermische actie op de bouwelementen en de brandplaats kan benaderd worden voor de blusacties. De overgang van een beperkte brand naar een volledig ontwikkelde brand wordt in de wetenschappelijk literatuur wel beschreven en wordt meestal weergegeven met een formule waarin met de warmteafgifte, de(vierkantswortel) van de plafondhoogte en de beschikbare verluchtingsopeningen terugvindt. (Zie bvb bij de Thomas’s flashover correlation, ventilation limit theory van Kawagoe). In FRAME vindt men die relatie terug in de ventilatiefactor v, die berekend wordt met de logaritme van de mobiele vuurbelasting, de ventilatieratio k, en de vierkantswortel van plafondhoogte: v = 0.84 + 0.1 log Qm - [ k * (h )½ ] ½ Het effect van deze factor in de berekening is dat men een zwaardere brand voorziet bij hoge vuurbelasting binnen het compartiment, en een minder zware brand als gunstige brandventilatie kan zorgen voor een gelocaliseerde brand. De FRAME formule is mischien geen nauwkeurige transcriptie van de wetenschappelijke theorie, maar de formule geeft altijd een waarde van v kleiner of gelijk aan 1 voor gebouwen die met een correct ontworpen RWA-installatie zijn uitgerust. Dit betekent dat de formule het effect van deze systemen correct weergeeft en de afwezigheid ervan "bestraft". Waarschijnlijkheid van optreden. De waarschijnlijkheid dat een brand tot zware gevolgen leidt dient in de risicobeoordeling opgenomen. In FRAME is de combinatie van de waarschijnlijkheidsfactoren verdeeld over P en D omdat dit beter beantwoordt aan de behoeften van een ontwerper van gebouwen en brandveiligheidsconcepten. Men mag niet vergeten dat men niet de waarschijnlijkheid van de brand zelf beoordeelt, maar wel de kans dat de brand oncontroleerbaar wordt en uitgroeit tot het "ergste geval". In de Kinney-methode vindt men maar één waarde voor de waarschijnlijkheid, maar bij methodes zoals FRAME, die op het fenomeen brand gericht zijn en waar men een feitenboom gebruikt ,zal men meerdere brandscenario's vergelijken en niet alleen het "ergste geval". De invloed van de waarschijnlijkheid wordt dan opgesplitst in meerdere subfactoren: een voor mogelijkheid van ontsteking, een voor de waarschijnlijkheid van vroege blussing, een voor het blussen door de brandweer, door sprinklers enz., en tenslotte een voor de waarschijnlijkheid dat een oncontroleerbare brand het hele compartiment inneemt en vernietigt. Een dergelijke combinatie van waarschijnlijkheidsfactoren is ook gebruikt in FRAME. Waarschijnlijkheid van ontsteking. In een aantal studies van brandveiligheid neemt men aan, op basis van statistische gegevens, dat de waarschijnlijkheid van ontsteking grotendeels uniform is in compartimenten met vergelijkbaar gebruik. Een beperkt aantal studies geeft dergelijke waarden voor kantoorgebouwen, woningen, industriële gebouwen. Ze hebben waarden rond 10-6 voorvallen per m² per jaar. De waarschijnlijkheid van ontsteking is om die reden gekoppeld aan de vloeroppervlakte van het compartiment. In de prescriptieve regelgeving vindt men ook beperkingen voor de compartimentgrootte, die NIET naar waarschijnlijkheid van ontsteking wijzen, maar die eerder ingegeven zijn door beschouwingen van beheersbaarheid door het beperken van de totale brandlast (oppervlakte x vuurbelasting). Wellicht is dit een te grote vereenvoudiging, want de compartimentgrootte bepaalt niet alleen het aantal ontstekingsbronnen, maar ook de tijd nodig om een brand te ontdekken en de tijd voor de brandweer om bij de brandplek te geraken. In FRAME wordt de aanwezigheid van ontstekingsbronnen gebruikt als een onderdeel van de evaluatie van de blootstelling in factor A: Een gebouw en de gebruikers worden pas aan het brandrisico blootgesteld als er een brand ontstaan is. Hoe meer “beschikbare” ontstekingbronnen, hoe groter de blootstelling wordt, en dus hoe minder aanvaardbaar het brandrisico wordt. De vorm van een gebouw is ook een risicoverzwarend element, en is verwerkt in de oppervlaktefactor g, de verdiepenfactor e en de toegangsfactor z. De vorm van het compartiment, de aanwezigheid van galerijen en tussenniveaus en de ligging ten opzichte van de begane grond zijn hier ook in rekening gebracht. In het "natuurlijke brand -concept" is aan de aangroei van de compartimentgrootte van 2500 m² tot 10.000 m² een stijging van 15 % in ernst van het brandrisico gekoppeld. Hierdoor vergemakkelijkt  men het gebruik van grote compartimenten. Voor een gelijkaardige aangroei verdubbelt de g-factor in FRAME de waarde van P, wat overeenkomt met een 100 % stijging van de ernst van het brandrisico. De veel zwaardere weging in FRAME houdt rekening met de grotere waarschijnlijkheid van ontsteking en met de vermindering in beheersbaarheid van de brand, omdat de brandweer het veel moeilijker heeft om een brand te bestrijden in grote gebouwen. In FRAME speelt de g-factor geen rol bij de bepaling van het risico voor de gebruikers: Aangezien elke ontwikkelende brand beschouwd wordt als “ergste” geval voor de gebruikers wordt de grootte van het compartiment niet beschouwd als relevant voor de ernst en/of waarschijnlijkheid van het risico voor de gebruikers. De vorm en de afmetingen van het compartiment worden wel in rekening gebracht bij de berekening van A1, als een deelaspect van de blootstelling en wordt apart beschouwd. Waarschijnlijkheid van een effectieve blussing Statistische studies van branden vermelden een vroege blussing door de aanwezigen zelf bij 45 tot 75 % van de brandmeldingen. Dit kan men afleiden uit het verschil in aangegeven brandschades aan de verzekeraars en de oproepen naar de brandweer in die streken waar beide data goed gedocumenteerd zijn ( bvb. in Zwitserland). De waarschijnlijkheid van effectieve blussing door de brandweer kan men afleiden uit de statistische informatie over de brandschade van de verzekeraars, o.m. door de vergelijking van de middelgrote schadeclaims en de hoge claims. De middelgrote komen overeen met branden die beperkt bleven tot de ruimte waar die ontstond ( wat overeenkomt met een succesvolle brandweerinterventie). Hieruit kan men een slaagpercentage van 90 % afleiden voor de brandweer interventie. De resultaten van sprinklerbescherming zijn ook vrij goed gedocumenteerd en de voornaamste oorzaken van het falen van dit type automatische bescherming zijn ook goed gekend. Die resultaten vertalen zich in premiekortingen voor gesprinklerde gebouwen, en die kortingpercentages kan men gebruiken om de invloed van sprinklerblussing op de schadeverwachting en dus op het brandrisico te evalueren.