Betrouwbaarheid van de beschermingselementen in FRAME. De subfactoren van de beschermingsgraad: W (watervoorziening), N (normale bescherming), S (speciale bescherming), U (vluchtfactor) en Y (reddingsfactor) behandelen een groot aantal variaties in het gebouwontwerp, de beschermingsinstallaties, de brandbestrijdings- organisatie, en ook de betrouwbaarheid van die onderdelen. Vroege blussing door de gebruikers is bvb. een deel van de normale bescherming. Het is vrij gemakkelijk om na te gaan dat de waarden die voor elk van die deelaspecten gebruikt worden, een weergave zijn van het aandeel van die element in de globale warschijnlijkheid van een succesvolle brandbestrijding. Zo zal de afwezigheid van een plaatselijke watervoorziening een W- waarde geven die betekent dat de brandweer slechts één kans op twee heeft om de brand onder controle te krijgen met de watervoorraad in hun brandweerwagens. Het resultaat van al die factoren is een waarschijnlijkheidscorrectie in de formule voor de risicobepaling. Dat de waarschijnlijkheid van effectieve blussing in FRAME uitgedrukt wordt als een deling door betrouwbaarheidsfactoren, kan tot enige verwarring leiden. De waarden van N en W zijn in feite nooit groter dan 1, wat betekent dat de waarden 1/W en 1/N, die de faalkans van die elementen weergeven, altijd groter dan 1 zijn: Een substandaard watervoorziening en /of normale verkleinen de kans dat de brand kan gecontroleerd worden, en verhogen dus het risico. Daarentegen zijn de waarden van S, F (en U en Y) altijd groter dan 1: hoe hoger deze betrouwbaarheidsfactoren, hoe kleiner de faalkans, en dus hoe kleiner het risico. Waarschijnlijkheid van instorting. De waarschijnlijkheid dat de brand het uiteindelijk haalt op het gebouw, hangt af van de brandweerstand van de structurele en scheidende elementen in vergelijking met de verwachte duur van de brand. Over het algemeen vragen de bouwvoorschriften een bepaald niveau van brandwerendheid voor deze elementen, rekening houdend met de aanwezige brandlast en een veiligheidsfactor om de instorting te voorkomen. Een typische brand in een niet-industriële omgeving heeft een gemiddelde “ISO 834” duur tussen 30 en 45 minuten. De meeste bouwvoorschriften vragen dan ook voor een brandweerstand van 30 minuten voor kleine en lage gebouwen, en verhogen die eisen voor gebouwen met meer niveaus of hogere gebouwen. Aangezien de brandduur niet verandert met de hoogte van het gebouw, betekent de hogere eis voor de brandweerstand dat men feitelijk de veiligheidsmarge verhoogt om de kans te verkleinen dat een brand uit het begincompartiment uitbreekt en zich verder verspreidt in het meerverdiepengebouw. FRAME houdt met dit aspect rekening in de brandweerstandsfactor F en gaat uit van 3 veronderstellingen: De eerste is dat de beschikbare stabiliteit bij brand het resultaat is van de combinatie van de stabiliteit van de structuur, het dak, de buiten- en de binnenmuren. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat die in een verhouding van 50 %, 25%, 12.5 % en  12.5 % gecombineerd moeten worden, maar er is ook geen research gedaan om een betere inschatting te maken. De tweede veronderstelling is dat de waarde van F de hogere betrouwbaarheid van brandwerende bouwelementen in rekening moet brengen, maar ook het feit dat men die misschien niet eens nodig heeft als de vuurbelasting beperkt blijft. Dit vindt men terug in het eerste deel van de F-formule, die een “gebogen” stijging geeft van F tov van de brandweerstand. De absolute waarden van F volgen de veranderingen van de eisen die men in de bouwverordeningen terugvindt en volgt grotendeels ook de curve van de factor e die zelf een weergave is van de hogere eisen gesteld aan hogere gebouwen. Als derde veronderstelling geldt dat gebouwenontwerpers niet volledig kunnen steunen op passieve (bouwkundige) of actieve (installaties) brandbescherming, maar een goede mix van beiden moeten voorzien. Dit vindt men terug in het tweede deel van de formule voor F, waarbij de waarde van de speciale bescherming S een milderende invloed heeft op de waarde van F.