Het belang van de blootstelling. In de norm EN954-1 staat dat een hoger niveau van betrouwbare bescherming nodig is, wanneer men dikwijls of gedruende lange tijd aan een risico is blootgesteld. Aangezien een brand een eerder zelden gebeuren is, zal een kleine blootstellingsduur een belangrijk aspect zijn voor de aanvaardbaarheid van een brandrisico. De duur van de brand is echter slechts een deel van de blootstelling: de gevolgen van een brand verdwijnen niet als de brand is geblust, de bedrijfsonderbreking kan maanden duren, zelfs na een kleine brand, en de vervanging van unieke voorwerpen kan problematisch zijn. Deze beschouwingen leidden in FRAME tot 3 licht verschillende formules om de blootstelling te berekenen voor het patrimonium, de personen en de activiteiten. Blootstelling van de gebruikers. Gewoonlijk neemt men aan dat de gebruikers veilig zijn als ze het brandende gebouw verlaten hebben: de meest evidente maat voor de blootstelling is dan de duur van de evacuatie. Maar uit ervaring weet men dat de brand-verspreiding in een gebouw niet gelijk met de hitteontwikkeling verloopt en dat een snelle verspreiding de meeste slachtoffers geeft. Dit betekent dat voor een correcte beoordeling van de blootstelling van de gebruikers en de evacuatietijd EN de brandverspreiding in rekening moeten gebracht worden. In FRAME vindt men dat terug in de formule: A1 = {1.6 – a} - ( t + r ) De meest significante factor voor de brandverspreiding is de aanwezigheid van brandbare oppervlakken, in hoofdzaak afwerkingmaterialen van bouwelementen en verpakking van voorwerpen. Daarom gebruikt FRAME de r-factor, berekend met de vaste vuurbelasting Qi (bouwelementen en materialen) en de brandbaarbaarheidsklasse M (voor de oppervlakken). De evacuatietijd dient berekend voor de feitelijke omstandigheden en het aantal aanwezigen. Daarvoor dient de t-factor in FRAME. Hierbij houdt men rekening met het hele traject van het verwijderde punt in het compartiment tot buiten op de begane grond. In de formule zijn ook de volgende elementen verwerkt: de mobiliteit van de personen en het compressie-effect in nauwe evacuatiewegen. De formule is afgeleid uit de wetenschappelijke publicaties over de evacuatiesnelheid (ref. Engineering Handbook, waar men de formule: speed S = k - a.k.D vindt.) De p-subfactor verhoogt de theoretische evacuatietijd voor ongunstige omstandigheden, zoals bij personen die het brandgevaar niet waarnemen, beperkt zijn in hun bewegingen of bij verwarring. Een bijkomende in FRAME ingebouwde beschouwing is het feit dat incidenten met meervoudige slachtoffers veel minder aanvaard worden dan die met één enkele dode. Bij sommige onderzoekers van menselijk gedrag vindt men dat de aanvaarding van het risico daalt met het kwadraat van het aantal te verwachten slachtoffers. Branden met meervoudige slachtoffers zijn hoofdzakelijk daar te vinden waar lange evacuatietijden samenvallen met snelle brandontwikkeling. De combinatie van hoge waarden voor de t- en r- factoren zal een waarde van A1 geven <1 wat een risicoverhoging betekent. In dergelijke situatie dient men beschermingsmaatregelen te nemen die men terugvindt bij de vluchtfactor U. Blootstelling voor het patrimonium Om de blootstelling te meten voor het patrimonium (gebouw en inventaris) gebruikt FRAME in de eerste plaats de monetaire waarde van de bezittingen, omgezet in de c2-factor. Iets dergelijks vindt men terug bij berekening van verzekeringspremies waar een bijpremie gevraagd voor goederen met een hoge waarde. Omdat dit ongebruikelijk is voor bedragen van minder dan 7 à 8 miljoen Euro / US Dollar (2000), is die limiet ook in FRAME ingebouwd. Een andere correctie, de c1-factor is bijgevoegd om rekening te houden met het onvervangbare karakter van sommige goederen. Het gebruik van de t-factor in deze formule vindt zijn oorsprong in de verwachting dat de brandweer voorrang zal geven aan de redding van de gebruikers, wat betekent dat zij de gebouwen langer aan de inwerking van de brand zullen blootstellen. Dit alles geeft dan de volgende formule: A = {1.6 – a} - (t + c1 + c2) Blootstelling voor de activiteiten. De impact van een brand op de activiteiten in een gebouw wordt dikwijls over het hoofd gezien. Wettelijke bepalingen hebben totaal geen aandacht voor de economische schade door brand, het waren hoofdzakelijk de verzekeraars en de risk-managers van grote groepen die er zich zorgen over maakten. Brand werd maar al te vaak als een ongelukkig toeval beschouwd, een bedrijfsschadeverzekering was iets exotisch, de werkloosheid na brand was geen sociaal probleem. Risk managers hebben wel de aandacht getrokken op het probleem van de continuïteit na brand en ook de overheid begint beetje bij beetje zich bewust te worden van de gevolgen van een brand in publieke voorzieningen zoals hospitalen , elektriciteitscentrales, tunnels en dgl. In FRAME wordt dit aspect van blootstelling als volgt aangepakt: De duur van een brand is van weinig belang voor de impact op de bedrijfsactiviteit, omdat zelfs een gedeeltelijke brand een bedrijvigheid voor maanden kan stilleggen, zeker als er bvb. bij de brand giftige stoffen zoals dioxines zijn vrijgekomen. Aangezien de duur van een brand gerelateerd is aan de vuurbelasting, kan men die factor buiten beschouwing laten in de berekening van P2, en moet men de overeenkomstige bescherming (brandweerstand) ook uit de berekening van de beschermingsgraad D2 weglaten. De meest evidente elementen om de blootstelling te meten van een brand op de activiteit zijn de monetaire waarde en de vervangbaarheid van de inhoud, waarvoor de c-factor gebruikt blijft. De evacuatietijd speelt praktisch niet mee, en wordt dus niet gebruikt. Daarnaast stelt men vast dat grote branden in opslagplaatsen weinig bedrijfsschade tot gevolg hebben, maar dat branden in stuurzones en in bottleneck installaties zeer krtiek zijn. Als maat voor die gevoeligheid kan men de verhouding "toegevoegde waarde/ omzet" gebruiken: dit is de d-factor. Het resultaat van deze beschouwingen is de formule: A2 = {1.6 – a} - (c1 + c2 + d) Een verhoogde blootstelling voor de activiteit kan gecompenseerd worden door een veralgemeende betere bescherming. Ook plaatselijke beschermingssystemen, bvb. een blusinstallatie in een computerlokaal, en organisatorische maatregelen om de afhankelijkheid van die locatie te verminderen dragen bij tot een betere bescherming. Dit is dan opgenomen in de reddingsfactor Y, en geeft als resultaat de specifieke formule:  D2 = N.W.S.Y