Risicoaanvaarding. De algemene formule van KINNEY: { Sev * Poc * Exp < C} geeft de indruk dat er een constant risico-aanvaardingsniveau  bestaat, maar dit is onterecht omdat de componenten Sev, Poc en Exp op een niet-lineaire schaal bepaald zijn. Op het eerste zicht lijkt het dat het risiconiveau waaraan men is blootgesteld grotendeels hetzelfde is voor gelijkaardige situaties, maar dit is niet het geval. Er bestaat niet zoiets als een wettelijk uniform aanvaardbaar risiconiveau, want wettelijke bepalingen zijn meestal niet retro-actief, wat betekent dat oudere gebouwen minder brandveilig zijn dan nieuwe omdat ze aan (historisch) minder strenge eisen beantwoorden. Een degelijke risicobeoordelingsmethode mag echter niet gekoppeld zijn aan een bouwdatum en dus ook niet aan wettelijke bepalingen; het zou in tegendeel een instrument moeten zijn om bestaande situaties te upgraden naar het veiligheidsniveau van nieuwbouw met toepassing van het gelijkwaardigheidsprincipe.  Maar zelfs in vergelijkbare risicosituaties, moet men de beoordeling kunnen aanpassen aan de individuele verschillen. Dit gebeurt bvb. bij het bepalen van verkeringspremies, die de prijs zijn die men moet betalen om het risico over te dragen aan de verzekeraar. Die gebruikt een basispremievoet per activiteit, die overeenkomt met de verhouding schade / verzekerde waarde voor die sector, maar past daarop een aantal correcties toe voor de eigen kenmerken van elk risico, zoals verwarmingsinstallaties, gebruik van brandbare vloeistoffen, lassen, en dgl. Dit zijn situaties waarbij het aantal ontstekingsbronnen groter wordt, dus is de blootstelling groter, wat men kan compenseren door bijkomende beschermingsmaatregelen. Men kan dus, in plaats van een “gemeenschappelijk” aanvaardbaar risiconiveau, beter een gemoduleerde grens gebruiken, die rekening houdt met de herkenbare ontstekingsbronnen. In FRAME wordt dit weergegeven in het gemeenschappelijke deel { 1.6 - a } van de formules voor de aanvaardbare risico's A. Dit deel van de formule verandert de waarde van het berekende risico op een vergelijkbare manier als de verzekeringstarieven: Hoe meer aanwezige ontstekingsbronnen hoe lager de waarde van aanvaardbare risico A.  Deze benadering benadrukt ook het belang van preventie, waarbij de meest elementaire regel is om ontstekingsbronnen en vuurbelasting van elkaar te scheiden. De getalwaarde van het risico. Het weergeven van het brandrisico op een waardenschaal is louter conventioneel, vergelijkbaar met het kiezen van metrische of  Amerikaanse eenheden om de afmetingen van een gebouw vast te leggen. In de KINNEY methode kan de waarde van het risico variëren tussen 0.05 en theoretisch 10.000 ( een constante dreiging van een catastrofe). Waarom gebruiken FRAME (en zijn voorganger Gretener) een schaal die de getalwaarde van het risico rond 1 vastlegt? De meest elementaire reden is dat Gretener oorspronkelijk een technisch tariferingssysteem wenste te ontwerpen voor brandverzekerings- premievoeten, en die liggen rond 1  ‰ van de verzekerde kapitalen. Dit bereikte  men het best door te werken met logarithmische vergelijkingen, die overeenkomen met de statistische verdeling van de schades. Er is heel wat werk gestoken bij de uitwerking van de methode om identificeerbare gegevens , zoals bvb. de afmetingen van gebouwen en slaagpercentages van installaties om te zetten in bruikbare formules, die waarden rond 1 opleveren. Risicoaversie Men stelt vast dat de meeste mensen een afkeer hebben van risico's met zware gevolgen, zelfs met kleine waarschijnlijkheid, maar aanvaardt men gemakkelijk kleine verliezen, ook als ze frequent voorkomen.   Risicoaversie is de basis van de verzekeringsindustrie. Door het afsluiten van een polis, ruilt de eigenaar van een gebouw een hoge ernst / lage kans-situatie (mijn huis brandt af) om voor een lage ernst / hoge kans -situatie : ik moet elk jaar een stukje van mijn geld afstaan aan de verzekeringspremies. Het risicoaversieaspect dient in de beoordeling opgenomen. Kinney loste dit op door de gebruikte waarden op een niet-linaire schaal te plaatsen. In FRAME zit de risk aversie ingebakken in de formules voor P, A en D, met name door de keuze van de parameterwaarden rond 1 te combineren met een formule van het type (C + log ) . Hierdoor komt men tot waarden die beter de risicoaversie weergeven dan een “zuiver” logaritmische schaal, zoals men in de volgende tabel kan zien. Bovendien vermijdt men op die manier negatieve en nulwaarden voor het (logaritmisch) risicogetal, die moeilijk interpreteerbaar zijn.  waarde voor "log S"   0.8 1 1.2  .4 1.6   risk *2 =+ log (2) 1.1 1.3 1.5 1.7 1.9   risk * 2 = x {1 +log (2)} 1.04 1.3 1.56 1.82 2.08   risk * 5 = + log (5) 1.5 1.7 1.9 2.1 2.3   risk * 5 = x {1 +log (5)} 1.36 1.7 2.04 2.38 2.72   risk * 10 = + log (10) 1.8 2.0 2.2 2.4 2.6   risk * 10 = x {1 +log (10)} 1.6 2.0 2.4 2.8 3.2   risk / 5 = - log (5) 0.1 0.3 0.5 0.7 0.9   risk / 5 =/ {1 + log (5)} 0.47 0.59 0.71 0.82 0.94   risk / 10 = - log (10) -0.2? 0? 0.2? 0.4? 0.6   risk / 10 = / {1 +log (10)} 0.4 0.5 0.6 0.7 0.8